5 oktober 2026
Irregular verbs leren: slim stampen in klas 1 en 2
Go, went, gone. De onregelmatige werkwoorden van Engels komen op elke toets terug. Zo leer je het rijtje in groepjes in plaats van woord voor woord.
De lijst met irregular verbs is in klas 1 en 2 een vaste prik. Per werkwoord leer je drie vormen, en een lijst van vijftig werkwoorden is dus honderdvijftig dingen om te onthouden. Wie de lijst van boven naar beneden stampt, haalt de vormen op de toets door elkaar. Het gaat makkelijker als je ziet dat veel werkwoorden hetzelfde patroon volgen.
Wat zijn de drie vormen?
Elk werkwoord in de lijst heeft drie vormen:
- Infinitive, het hele werkwoord: go
- Past simple, de verleden tijd: went
- Past participle, het voltooid deelwoord: gone
De past simple gebruik je voor iets dat in het verleden gebeurde en klaar is: Yesterday I went to school. De past participle gebruik je met have of has: She has gone home. Gewone werkwoorden krijgen in beide gevallen -ed, zoals walk, walked, walked. Irregular verbs doen dat niet, en daarom moet je ze leren.
Leer ze in groepjes
Dit is de truc die het meeste scheelt. Sorteer de lijst op patroon in plaats van op alfabet.
Alle drie hetzelfde. Cut, cut, cut. Put, put, put. Let, let, let. Hit, hit, hit. Cost, cost, cost. Deze groep is gratis: één vorm leren is genoeg.
Vorm 2 en 3 hetzelfde. Dit is de grootste groep. Binnen die groep zitten weer kleinere families:
- eindigt op -ought of -aught: buy, bought, bought, bring, brought, brought, think, thought, thought, teach, taught, taught, catch, caught, caught
- eindigt op -t: send, sent, sent, lend, lent, lent, spend, spent, spent, build, built, built
- verder: make, made, made, have, had, had, say, said, said, find, found, found
Het i-a-u-rijtje. Begin, began, begun. Drink, drank, drunk. Swim, swam, swum. Sing, sang, sung. Ring, rang, rung. Klinkt als een liedje, en zo kun je het ook leren.
Vorm 3 eindigt op -n. Give, gave, given. Take, took, taken. Write, wrote, written. Eat, ate, eaten. Speak, spoke, spoken. Choose, chose, chosen. Know, knew, known. Fly, flew, flown. See, saw, seen.
De echte uitzonderingen. Be, was/were, been. Go, went, gone. Do, did, done. Deze passen nergens in. Gelukkig gebruik je ze zo vaak dat je ze snel kent.
Let op read, read, read. Je schrijft het drie keer hetzelfde, maar de laatste twee spreek je uit als "red".
Zeg het rijtje hardop
Swim, swam, swum. Wie de drie vormen hardop achter elkaar zegt, onthoudt het ritme. Dat ritme komt op de toets terug als je even twijfelt. Doe het een paar keer per groepje en loop daarna de hele groep in één keer door.
Gebruik ze in een zin
Een rijtje kennen is één ding. Op de toets moet je soms de juiste vorm in een zin invullen: I have never ___ (eat) sushi. Dan moet je weten dat have om de past participle vraagt, dus eaten.
Maak daarom bij elk groepje twee korte zinnen, een met de past simple en een met have. Last week I bought a new phone. I have bought three phones this year. Dat kost een minuut extra en het scheelt fouten.
Laat je door elkaar overhoren
Op volgorde opzeggen gaat al snel goed, maar dan leun je op het vorige woord. Op de toets staat choose niet na catch. Laat je daarom overhoren in willekeurige volgorde, en zowel van vorm 1 naar vorm 2 als van vorm 1 naar vorm 3.
Begin een week voor de toets met tien werkwoorden per dag. Start elke dag met de werkwoorden die je de vorige keer fout had. Twee avonden van tevoren loop je de hele lijst nog een keer door.
Voor ouders
Overhoren kan zonder dat je zelf goed Engels spreekt. Noem het hele werkwoord, laat je kind de twee andere vormen zeggen en kijk mee op de lijst. Vraag af en toe om een zinnetje erbij. Zo merk je of het rijtje alleen gestampt is of ook begrepen.
Maak een oefentoets van jouw lijst
Elke methode heeft een eigen lijst, en de docent geeft vaak een stuk op. Maak een foto van jouw rijtje en Checkie zet er in een minuut een oefentoets Engels van klaar, met vragen over de past simple en de past participle. De vragen die je fout had, komen terug tot je ze goed hebt. Gratis en zonder account.
